Poesele Heemkundig
Enkele Poeselse verhalen

Tempeliers

In de Oude Kerkstraat rechtover de huidige woning van Dany en Nadia De Paepe stond er volgens de overlevering een verblijf van de Tempeliers. Tot zo’n 25 jaar stonden er nog enkele populieren en was het plaatsje bij de bevolking gekend als het “motje”. Het stukje grond heeft een lange geschiedenis maar is al meer dan 500 jaar onbewoond. Er was een “mote” (kunstmatige verhevenheid), zeker tot na 1850 want ze staat op de oorspronkelijke kadastrale kaart van Poesele aangeduid. In 1587 werd het perceel “daude stede” genoemd, wat al inhield dat de stede niet meer in gebruik was. In 1609 wordt het perceel land “Bultinx stede” genoemd. In 1670 bestaat het gedeeltelijk uit bos en gedeeltelijk uit geweet (weidegrond) en heet het “Bils stede”. In 1724 is het een bos van 470 roeden groot zonder benaming en in 1867 werd het pas voor het eerst vermeld als “het motje”.

Spookpaarden

Het Goed ten Briele langs de Bredeweg is altijd bewoond geweest door paardenboeren. Vroeger werden de grote boeren zo genoemd omdat zij de enigen waren die meer dan één paard bezaten. De knechten en omliggende keuterboeren konden dan een paard lenen om hun eigen akkers om te rijden. Maar bij die paarden was er soms toverij en hekserij in het spel. Zo liepen er, heel lang geleden, spookpaarden rond het Goed ten Briele en tezelfdertijd begonnen op de zolder windmolens te draaien. De boer, de boerin, de kinderen en de knechten verkrampten binnen van angst en als er dan toch iemand het aandurfde naar buiten of op zolder te gaan kijken was er niets meer te horen of te zien. Dat bleef zich maar herhalen en er werd hulp ingeroepen van de paters van Gent. De paters zijn schoorvoetend gekomen. Je kon hen aanzien dat ze dat werk niet graag deden. Ze zweetten als dassen en zagen er zeer vermoeid uit. Na enige tijd hadden ze iets gevonden maar niemand wist wat. Ze hebben het in de grond gestopt op de verste uithoek van het land. Sedertdien waren de spookpaarden verdwenen.

Kapel op paardenpoten

Zo’n twee eeuwen geleden stierven alle paarden op het Goed ten Briele op onverklaarbare wijze. Wij waren op dat moment Franse staatsburgers en alle kloosters waren gesloten en de meeste paters en geestelijken waren gevlucht. De familie De Waele die sinds 1800 de hoeve bewoonde slaagde er toch in om enkele paters naar Poesele te laten komen om te onderzoeken wat er zou kunnen gebeurd zijn. Volgens de paters kon enkel Onze-Lieve-Vrouw hier iets aan doen. Aan de ingang van de hoeve moest een kapel worden opgericht op paardenpoten toegewijd aan O.L.V. Het laatste dode paard werd naast de ingang van de hoeve begraven met de poten omhoog en daarop werd een kapel gebouwd. Er is nooit meer nog een abnormale dierensterfte geweest op het hof.

Een muizen en rattenplaag

Op een boerderij in de omgeving van de Poekebeek, is er ooit een verschrikkelijke ratten- en muizenplaag geweest. De oorzaak lag bij twee vreemde knechten waarvan er gezegd werd dat ze voor pater of priester hadden gestudeerd. Maar er was iets niet pluis met die kerels. Ofwel hadden ze hun studies stop gezet ofwel hadden ze“hun kap over d’haag gesmeten”. Als de boer en zijn gezin zich aan tafel zette voor het avondeten, trokken de twee knechten naar hun voutekamer en deden ze honderden muizen en de ratten te voorschijn komen. Die liepen het huis rond en maakten kringetjes rond de boer, de boerin en de kinderen. Ze renden over tafels en stoelen, in de kookpannen en op de borden zodat de bewoners verstijfden van schrik en niets hierover durfden vertellen aan buren en vrienden. Het is maar geëindigd als die twee vertrokken waren. Hoe dat ze dat deden, heeft nooit iemand geweten. Ze zijn, voor zover we konden achterhalen, nooit nog naar Poesele teruggekeerd.

Voodoo-praktijken op het Hof ter Walle

Heel lang geleden werd op een dag het kleinste kindje op het Hof ter Walle ernstig ziek. Het begon plots hard te huilen en het bleef maar huilen. De boer en boerin waren ten einde raad en via de tussenkomst van de pastoor kwamen ze bij de paters Norbertijnen in Drongen terecht die onmiddellijk twee kloosterlingen naar Poesele stuurden. Luid biddend doorliepen ze de boerderijwoning van de kelders tot de zolder en besprenkelden alle kamers met in wijwater gedrenkte palmtakken. Toen dit zonder resultaat bleef, begonnen ze opnieuw te bidden terwijl ze het huis van kop tot teen onderzochten. Op de voutekamer zijn ze voor een linnenkast blijven staan en in één van de bovenste schuiven vonden ze een onbekende lappenpop met daarin drie spelden. Toen ze de spelden biddend uit de pop haalden, stopte het kind met wenen en genas het langzamerhand. Enkele weken voordien waren bohemers aan de deur geweest die knopen, naalden en spelden ventten. De boerin had niets gekocht omdat ze nog een ruime voorrrad van dat alles had. Eén van de vrouwen vroeg of ze een beetje water konden krijgen, want ze hadden dorst. De goedhartige boerin ging naar de pomp op het achterhof voor elk een tas water halen. Op dat moment sloegen de kwaadaardige vrouwen toe en stopten ze de pop met de naalden in de kast op de voutekamer.

Met dank aan André Bollaert
Meer over sagen en verhalen vind je op Land van Nevele - SAGEN.